Steen I De Witte Steen Boek 3. Het Boek des Levens 8 februari 2009
Het derde boek uit de Witte Steen van het Eeuwig Evangelie

Het Boek des Levens

1.

1. En toen de discipelen tot de poorten des hemels kwamen, en daardoor naar binnen gingen, zagen zij de Heere zitten op een witte troon. En zij vroegen : Heer, wie staan er geschreven in het boek des levens ? En toen zei de Heere : de armen, de verstotenen en de geslagenen, zij die de lusten dragen van de doornenkroon en de lusten van het kruis. En toen vroegen zij : Heere, wiens namen staan niet opgetekend in het boek des levens ? 2. En de Heere sprak : de echtbrekers, de overspeligen, de leugenaars, en zij die de hoer volgen. En toen begonnen de discipelen deze woorden te overpeinzen, om te zien of zij daar enig licht in zagen. En toen sprak er één : Heere, en de rijken ? Zullen zij staan in het boek des levens ? 3. En de Heere sprak : Neen, want de rijke is een dief, en dieven zullen geenszins in het boek des levens geschreven staan. En na deze woorden treurden zij, want vele van hun vrienden waren rijk. En zij begrepen de woorden van de Heere niet, omdat de Heere over geestelijke dingen sprak.
4. Toen nam de Heere een lamp als een lantaarn en stak de kaars aan. Toen stond de Heere op, en liep met de brandende lantaarn langs de discipelen. En hun aantal was groot, en de Heere vroeg wie van hen Zijn licht wilde dragen. Maar zij zeiden : Och Heere, uw licht is zo groot en sterk. Wij zouden het niet kunnen dragen. Toen wees de Heere één discipel onder hen uit en gaf hem de brandende lantaarn. 'Zie Ik geef u kracht om mijn licht te zijn,' sprak de Heere, en de man steeg op. En alle discipelen keken in verbazing naar de man die was opgestegen, en zij gaven eer aan de Heere.
5. En de Heere sprak : De lusten des Heeren zijn als slakken. Zij gaan langzaam voort en bereiken langzaam hun doel. Voor zulken is het koninkrijk des Heeren. En de Heere sprak over de lusten van angst en de lusten van het lijden, en daarna sprak hij over de lusten van het spotkleed. En Hij zeide : Laat u dan bekleden met de lusten des Heeren om niet deel te hebben aan de lusten der wereld en de lusten der zonden. En vanuit de hemel daalden stukken vlees, en zij aten allen aan een grote tafel. En zo was dat wat zij aten hemels vlees, en de Heere sprak : Zij die van het hemels vlees eten zullen zeker in het boek des levens staan. En het vlees veranderde hun lichamen, en hun lichamen begonnen licht te geven. 6. En de Heere sprak : De zon en de maan hebben wij niet nodig voor licht, daar de stad des Heeren verlicht wordt door hen van het boek des levens. En de Heere deed vele wonderen en tekenen, en sommigen onder hen werden vol van angst, maar de Heere sprak : Vertrouw op Mij.
7. Zo zal dan het boek des levens spreken over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en hen die daar wonen. En de Heere nam een vuur om dat op de aarde te werpen, en de Heere sprak : Zie Ik maak alle dingen nieuw. En de Heere bouwde een nieuwe stad op aarde, wiens poorten van edelgesteente waren. En een vreemd licht dwaalde over de stad, en de Heere sprak : Dit zijn de zielen die rust zoeken sinds de grondlegging der wereld. Zij die van het boek des levens zijn zullen in de stad toegelaten worden, maar zij die niet opgetekend zijn in het boek zullen buitengeworpen worden. En de Heere zond een tweede vuur, en het licht werd gezuiverd. 8. En de Heere sprak : Nu is de ure gekomen dat er bekend wordt gemaakt wie tot het boek des levens behoren en wie niet. Niemand zal dan doorgang vinden in de stad dan door het boek.

2.

1. En de Heere nam een touw, en in zijn andere hand had Hij een boek genaamd het Eeuwig Evangelie, en de tweede bijbel, en de Heere spande een net uit over de aarde, en sprak : Nu is het de tijd dat Ik de oogst van de aarde opneem, en zij zullen Mijn Woord horen en verstaan. En er vloog een vogel in de hemelen, en riep in een onverstaanbare taal. 2. En er kwam donder en bliksem van de vogel af, en aldus was de vogel des Heeren. En er waren gezichten in de hemelen, en een vrouw met de kop van een slang en de kop van een leeuw en het hoofd van een mens kwam naar voren, en zij spreidde een wit poeder over de aarde als een plaag van netels. En de aarde werd wederom gezuiverd. En de vrouw sprak : Nu is dan de canon verbroken, het juk dat zo lang op de heiligen heeft gerust. En vele zegels werden geopend, en vele dieren vielen in zee, en de golven waren hoog en woest. En de vrouw sprak weer, terwijl er een gif uit de bek van de slang kwam op de aarde wederom te zuiveren. 3. En de vrouw nam een beker, en sprak : Uit vier bekers des Heeren zullen de heiligen drinken om de Heere zuiver te verstaan, en om hun namen in het boek des levens opgetekend te hebben. En toen zij de eerste beker over de aarde uitgoot was er geschreeuw en daarna een grootse stilte. En vanuit de aarde, van onder de aarde, verscheen er een oranje draak, en zijn macht was groot. En hij brulde tot de heiligen die zich in de stad bevonden, en hij sleurde enkelen van hen uit de stad, en sprak : De nacht van Leviathan is gekomen. Leviathan zal niet sterven. Maar de Heere nam een vuur en verslond daarmee de oranje draak, en er was een gewoon in de hel, in het binnenste der aarde. 4. En de Heere sprak : In Sheool open Ik poorten, en zet Ik gevangenen vrij, want Leviathan, de meester, is overgeleverd aan de poel des vuurs, om te vergaan in hagel en zwavel tot in alle eeuwigheden. Nooit meer zal Leviathan, de meester, de aarde teisteren. Ik heb de aarde en de wereld der zonde tot in al zijn schandelijke lusten zijn meester ontnomen. En na deze woorden gesproken te hebben viel er een harde en zware deur dicht. En geesten vielen uit het paradijs, en de hemelen rolden zich op als boekrollen, terwijl de aarde beefde.
5. En weer sprak de vrouw, en goot de tweede beker over de aarde uit. En deze beker was rood en als het geschreeuw van een vrouw. En er verschenen weer gezichten in de hemelen, en iemand spuwde op de aarde. Toen was er een groot gekrijs zoals er nog nooit was geweest, en zoals er nooit meer zou zijn. En de schepen der aarde begonnen weg te rotten, en de zee moest plaats maken voor het paradijs. En de Heere sprak tot Mammon : Oh, gij koopman, en rijke heer der aarde, uw meester is gevallen, en ook gij zult vallen. Want de Heere heeft het begin en eind van uw tijden vastgesteld, en ziet, gij zult in ketenen en boeien gaan, en de plaats bezoeken die de Heere voor u bestemd heeft, voor dit uur. En twee engelen grepen de Mammon en wierpen hem in de zee die nog over was, en de zee overstroomde het paradijs om tot rivieren te worden. En de Heere sprak tot de zee : Ik zet u vrij. En een slang van reusachtige omvang viel vanuit de hemelen in de zee, en de engelen die in en onder de zee opgesloten waren werden vrijgezet.
6. Toen nam de vrouw de derde beker en de hemelen werden zwart, terwijl ze het gif over de aarde uitgoot. En kort daarop goot ze de vierde beker uit over de aarde, wat was als rood zout. En gezichten en wielen verschenen er in de hemelen, en de geesten der zeeen kwamen tot de hemelen, en al wiens namen stonden opgetekend in het boek des levens vonden toegang. Zij wiens namen niet waren opgetekend werden teruggedreven tot de zeeen der aarde en de zeeen onder de aarde. En de Heere sprak met luide stem : Nu de vier bekers over de aarde zijn uitgegoten, neem de oogst op. En een groot net werd over de aarde uitgespannen, en vele discipelen werden in de hemelen aangenomen.
7. En de Heere sprak weer : Voor dit uur heb ik de kolken des hemels bewaard. En de Heere opende de deuren van hemelse schuren en opslagplaatsen, en een kolkende massa kwam van alle kanten naar de aarde. En de draken der zee krijsten tot de hemelpoorten, maar deze bleven gesloten, want de Heere was met Zijn oordeel gekomen. Ook kwamen er vrouwen vanuit de zeeen en strekten zich uit naar de hemelpoorten, maar voor hen werd niet opengedaan, omdat de Heere met Zijn oordeel gekomen was. En zij droegen een vreemd zegel op hun voorhoofden, en vreemde tekens op hun handen. En een groot gehuil steeg op, maar de Heere opende de deuren niet. En de vrouwen kleedden zich als arme vrouwen en begonnen op de hemelpoorten te kloppen, en sommigen maakten zich op als oude vrouwen, maar de Heere opende voor hen niet. Zo was dan het oordeel over de rijken en hen die de lusten der wereld aanhingen. En zij begonnen te smeken en te klagen, of de Heere hun namen wilde optekenen in het boek des levens, maar de Heere luisterde naar hen niet. Aldus was de koppigheid des Heeren.
8. En de vrouwen brachten enkele gezalfden op die niet van de Heere waren, maar de Heere verteerde hen door vuur. En enkele van de vrouwen die nog overwaren ontdeden zichzelf van kleding, en trachtten de Heere te verleiden, maar het vuur van de Heere kwam in grote verbolgenheid over hen, en hun ogen smolten in hun kassen weg. En de laatste vrouw die over was was genaamd de koningin der haaien, en zij was als een skelet, en ook werd zij heks genoemd. En zij vroeg de Heere om toegang, en haar macht was zo groot dat zij ware het mogelijk de Heere zou kunnen verslinden, maar door Zijn beker kon zij het niet, en moest zij op afstand blijven. En zelfs de verheerlijkte engelen durfden haar naam niet uit te spreken, en brachten geen oordeel over haar uit. Zij hielden hun mond, terwijl de Heere het boek des levens nam, wat in een zwaard veranderde. En zo had de Heere een gevecht met haar wat duizend dagen en nachten duurde. En na dit gevecht nam de Heere haar op, en wierp haar in de poel des vuurs. En de prometheus, de hades, de tantalus en de atlas moesten hun zielen uitspuwen.
9. En zo zit de Heere op het paard van de morgen, oorlog voerende in heiligheid. En zijn vrouwen volgen Hem, hen die de lusten van het kruis dragen, en de lusten van het ijs en de eenzaamheid. En de Heere voert macht over de heiligen, om hen in de rechte paden van het eeuwig leven te leiden. Maar er zijn vele eeuwigheden, en de Heere heeft vele rechte paden. Zo houdt hij de schapen van de bokken gescheiden, de kippen van de varkens en de runderen van de zwijnen. De Heere kent hen allen, en ziet of hun namen staan opgetekend in het boek des levens. Daarom, wanneer gij de geesten beproefd, beproef hen door het zwaard dat de Heere u gegeven heeft : het boek des levens. Het boek des levens bevat dan alle lusten des Heeren, en de lusten van Jezus Christus die gekruisigd is. Zo worden dan alle lusten van het kruis en van het wiel door het boek des levens en deze vuren beschreven, tot in alle eeuwigheden. Daarom is het : Geloofd zij de Heere, die door Jezus Christus, de gekruisigde, het boek des levens en haar vuren heeft gebracht tot de Zijnen, tot een heilige Jakobsladder tot de hemelen. Ziet dan toe dat gij niet zondige, want de Heere zal Zijn boek zuiveren.
10. En tot mij kwam een vuur en een bliksemschicht met donder, en de Heere sprak : Teken deze dingen op, opdat uw hart gezuiverd zal worden, en gij niet aansprakelijk zult zijn voor de dingen die op de aarde gebeuren. Wees dan rein van alle bloed, en kom hogerop. En ik zag een deur geopend worden waar vanuit licht en bliksem kwam, en een duif verscheen met de verheerlijkte Christus. En ik ging door die deur naar binnen, en voor mij stond een tafel met vlees. En de Heere sprak : Eet, want dit is het vlees der hemelen. En ik at, en de duif des hemels daalde op mij neer. En de Heere sprak : Gij moet veel profeteren, want Ik kom spoedig. En de Heere gaf mij een vlag en een penseel, en het penseel kreeg vleugels en begon te bloeden. En de Heere sprak : Dit dan is het bloed van Christus en het bloed des Geestes. Open uw mond, en uw woorden zullen zuiver zijn. En ik opende mijn mond, maar woorden kwamen niet uit mij. Ik moest schrijven. En het papier waarop ik schreef begon te bloeden, en de Heere sprak : Dit is het bloed van de Heere en Zijn getrouwe profeten.
11. En ik begon op papier te profeteren en schreef de tongen des Heeren op, maar toen nam de Heere het papier en verzegelde het. En de Heere sprak : Het Boek van Bloed zal pas op een later tijdstip geopend worden. Nu dan, spreek er niet over wat ge hebt opgeschreven. En de Heer wierp het bloedende boek in de lucht, en het vloog weg als een vogel. En de Heere sprak tot mij : Zij die in het boek des levens staan hebben eeuwig leven, maar zij die in het boek des bloeds staan hebben toegang tot de eeuwigheden van het kruis. Maar zij die niet opgetekend zijn in het boek des bloeds zullen niet deelhebben aan de lusten van het bloed en het vlees van Christus Jezus. Zij blijven buiten vele poorten, en zullen schade lijden door de vierde dood.
12. En de Heere sprak tot Zijn discipelen over de heilige haat tot de zonde, en de lusten van die haat, ook wel de haat des Heeren genoemd. En de discipelen zaten met de Heere aan een groot meer der hemelen. En grote slangen begonnen vanuit de hoogtes in het grote meer te vallen. Aldus waren de slangen des Heeren de lusten van Zijn haat. En de Heere sprak dat de valse en overmoedige liefde als een vals vuur was, opwekkende eerzucht en machtszucht als de lusten der wereld. Deze kwamen om de mens te binden. En toen sprak de Heere over de hogere liefdes en de lusten daarvan, die allen des Heeren waren. En ziet, deze lusten stonden beschreven in het boek des bloeds. En de Heere opende een put in de hemelen waarin vreemd gedierte krioelde. En de Heere noemde het gedierte : het zaad van de lusten des Heeren. En een donderslag kwam om de put weer te verzegelen. En de Heere sprak over de leeuw die zegels verbrak, en deze leeuw was als van ijzer. En de Heere zei dat deze leeuw het zwaard van Mozes droeg. Ook droeg de leeuw geschiedenisboeken, en een mes waarmee het tijden kon ziften en kon lossnijden. Aldus waren de tongen des Heeren. En de leeuw werd woest voor het aangezicht des Heeren, en de leeuw sprak : Nu zijn de dagen gekomen dat de lusten van het wilde des Heeren zullen gaan spreken en tot de discipelen gaan komen. En de discipelen werden met vreemde tongen en lusten vervuld, alsof ze van verborgen bomen van het paradijs hadden gegeten.
13. En de Heere leidde hen tot de boom des levens en de boom des bloeds, en zij aten van vreemde vruchten des Heeren en van vreemd vlees. En de discipelen werden door de Heere op de leeuw geholpen, en de leeuw bracht hen tot de dieptes des hemels. En de Heere sprak : Nu is het de tijd dat Ik het Woord geheel zal transformeren, en ze zal onfeilbaar zijn. En de onfeilbaarheid des Heeren daalde als een griffioen en een basilisk tot hen, en zij beiden spuwden gif om de discipelen te reinigen. En toen de basilisk, de vliegende slang, sprak vielen de discipelen allen op hun aangezicht vanwege het licht. En een vrouw kwam naar voren, die een vrouw des Heeren was, en de basilisk begon om haar lichaam te kronkelen. En de vrouw klapte in haar handen en riep de harem des Heeren naar voren.

3.

1. En hun namen waren : Atise, Atile, Oduet, Oluanda, Olualla, Olia, Olius, Olome, Salome, Salomme, Salomia, Suluet, Sulia, Sulua, Suande, Suanda, Salit, Saspesse, Luanda, Luondet, Luorg, Luom, Luonde, Luadaas, Luonet, Lirka, Lirket, Lianda, Lames, Lamende, Metile, Mektil, Mektinde, Rames, Ramotze, Mantil, Makil, Maket, Matanda, Masda, Magda, Mature, Manure, Madure, Madureki, Marzette, Miandel, Mikate, Mistesse, Miktel, Mektel, Makate, Makende, Miktal, Mektal, Mechzis, Mechzinde, Zindoret, Zindorette, Dorotel, Dorotelle, Mimikta, Miaktin, Miakzin, Miktlande, Miktande, Miktandil, Mikzens, Mikzense, Mischzensche, Mischzens, Michsmanda, Michsmandi`è, Michsmandia, Klausile, Klausandria, Klasandale, Sandale, Sandilia, Sandalile, Sandile, Sammologia, Sammoture, Sammotinda, Sammoschlesdelle, Sammoschlesdellia, Sammodintille, Sammolotzia, Sammodestile, Destile, Destinde, Desramia, Desmantile, Dekshantia, Dekshinde, Deshinde, Deshindeline, Deshindelinia, Deshindette, Deshindomen, Deshindomia, Deshindolite, Dolite, Dolitia, Dolinia, Dohelemandia, Helelia, Ophelia, Ophantes, Opzonne, Zonnia, Zonettia, Zonespel, Zoneschpelle, Schespelle, Schaspinia, Schaspijne, Pijne, Oelette, Oelettia, Opmesia, Opmesis, Opmeschia, Opschijne, Opschessia, Opschesseline, Opschesselinde, Opkaumia, Kakaumia, Kakaumet, Kaukeine, Kaukinda, Kakinda, Kapkeine, Kapkeinet, Kaphazia, Hazia, Heschesse, Opmeine, Opkennia, Kikeinia, Kikidinne, Kikmintes, Kikmintesch, Kikmania, Kikmadine, Kikmolio, Molonde, Mokschmonde, Mokschmasalmia, Salmia, Sascheine, Sascha, Saschanet, Saschanel, Saschin, Saschinne, Sirkit, Sirkitte, Deschminnia, Deschkoket, Kokettia, Kokscheine, Korket, Korhettia, Ikschminne, Ikschmin, Surnette, Ikschmelle, Ikschminnia, Opdeizen, Ekschmelle, Ekschminelle, Ekschga, Omot, Akdaas, en Ekschel.
2. Aldus was de eerste harem des Heeren. En zij beelden de lusten van het kruis en het ijs uit. Sommigen dan hadden de huiden van slangen, en anderen hadden de huiden van panters. Toen kwam de tweede harem des Heeren naar voren, en zij namen de griffioen mee naar een kamer. En zij droegen de namen van de bloedlijnen des Heeren : Mezo, Meza, Karu, Jettes, Jetta, Jasit, Jabat, Janbi, Janbil, Jatus, Jaspi, Kali, en Balmi. En ook droegen zij de namen van de bloedlijnen van Jezus Christus : Mizenti, Miammi, Midezus, Mitesta, Mizanzaad, Mizandraat, Mizakout, Zakout, Mazanti, Merenti, Mispul, Mispuls, Mispulse, Mallakki, Marama, Makout, Makonti, Makoot, Makan, Makandra, Matuchta, Mazucha, Mazandaut, Mazandeim, Makrinda, Makrimda, Matuzdel, Matuzel, Matongo, Matanga, Mandrel, Mereksha, Merekshinda, Miriks, Mirinda, Mirkhin, Hinnik, Hispel, Hispanelhout, Misponzo, Mistrandes, Mistrandanda, Mistrandamel, Damelissen, Damelissen, Damikma, Damiktma, Daheizel, Daheimel, Dakinda, Darikma, Herrik, Herikschel, Hatochtza, Hatoch, Hokel, Hokhahunaut, Hamin, Hamikma, Haziksma, Harrik, Hartik, Harengel, Fahunaut, Farinhaut, Haut, Hautschmu, Hauter, Hauthum, Humzasel, Humsanaut, Sanei, Saneizel, Haspinzen, Haschpinzel, Heksel, Hinschel, Hamsma, Hamschma, Harikschel, Hazinten, Hazintia, Hazintischa, Tischazen, Tischamin, Tischaminne, Tischazelschel, Harom, Harok, Huzammen, Haschen, Hesmint, Heschmint, Kozel, Kotet, Komen, Kiran, Kirandet, Kakuimen, Katinda, Karin, Kaschmin, Kaschinda, Kurmet, Karelschen, Kirschma, Kuzammel, Kutondet, Kokeimen, Kakandel, Karet, Eeftrauna, Eeftamit, Eefschenzel, Eefzamit, Eefzamiten, Kartiten, Kartenschen, Kirschtenzen, Karschmenkel, Karschmonkel, Karschmocht, Karschmori, Karschmorianten, Korschmotten, en Orchsmoten.
3. Tevens droegen zij de namen van de bloedlijnen van de Heilige Geest : Kupheinen, Fatau, en Furuchheim. De bloedlijnen van Jozef : Sorit, Elschmolen, Milsha, Milisik, Militen, Mikonda. De bloedlijnen van Ismael : Smurtaschen, Fahnhaut, Kapitel, Trois, Troisen, Toizamur, Toizametten, Fihanel, Finanel, Fadinden, Fates, Fatelhaut, Fazelsongen, Fazeldeden, Faduhenk, Faduschprong, Fadusprongel, Spronhel, Heltaschen, Fadeet, Fadeetma, Fadeetman, Fapandan, Fapandan, Fadessel, Fadong, Arelmoer, Arutmur, Arusmur, Arusmir, Arutmirre, Mirretendens, Mirretendasse, Mirretendehahassen, Kakassen, Kakatel, Kahipmin, Hipminne, Hapminne, Haphone, Haphuhone, Kurongel, Kadipma, Kakous, Kasip, Kasipppe, Katudonhippe, Katudonschmesse, Karschmankel, Kashmocht, Kashtoch, Karschenkel, Kareschit, Kareschitze, Kareschitmedanzong, Kareschitmedazen, Kareschmitmedonzo, Maton, Matonge, Makinda, Makhengels, Makhisten, Makhozo, Mashen, Mashengstel, Mashinten, Maschimmel, Maschimmelsch, Mirsch, Mirsch'hengst, Mirschdraggel, Mirschdraggelsons, Mirschdraggaheim, Mirschdraggahaum, Gahaum, Gahaumda, Grahaumdra, Herschhenk, Hersch'henkel, Herkinscha, Herkinsledde, Herkinsladde, Hachtong, Hachtongstel, Hachtongstelga, Gashengstel, Panaut, Patongel, Patong, Machtong, Machteld, Karam, Kahengstel, Fichtfanaut, Fichthengstel, Hebzensia, Hebzonsia, Hobstonel, Hobstanel, Hobstadicha, Hobstadagia, Erhipstinel, Erhipstinzel, Stinzelscha, Ahabstaut, Kohabstaut, Kahabstout, Imschel, Imsterhicht, Imsterhichtel, Imsterhichtelt, Himstahitzel, Himstahatzel, Karelsma, Karelsmachen, Matazen, Matonzen, Mikatokel, Kikatohikken, Mikatohitsen, Drakalia, Drakendia, Draheksensmul, Draheksenschmul, Focht, Vochtahinzen, Hiket, Fikahinkel, Fikadonet, Fikakarelsen, Fikadomulsen, Domulsen, Domulsenet, Semeten, Semetena, Nataka, Natika, Nadrauma, Nadramsel, Nadramselscha, Nadramsalhitten, Fikhinzen, Fikhanizen, Fikhuten, Fikhoeten, Dramit, Dramtanzen, Tamulschoe, Tamulschoezen, Futal, Futalscha, Futaldramitten, Dramissen, Dramanza, Dramanzamit, Dramelhessen, Dramelfakonen, Tumelfakonen, Tumelfadraunonen, Tumelfaudranieten, Expel, Expelzen, Expelschen, Facht, Farinfacht, Fachtfassen, Fachtpassen, Fachtplassen, Plassenscha, Scha, Schassen, Maschpunza, Maschpunzazout, Maschpunzadreinetten, Pakieren, Pakandiene, Dienastinzen, Dinastetzen.
4. En zo had de Heere nog achtendertig andere harems die de namen van zijn geschiedenissen droegen, en dus in totaal veertig harems. En zij droegen vreemde en uitheemse namen die de Heere sinds de grondlegging der wereld verborgen had gehouden. En de Heere werd als een gevleugelde zon.
5. En een wezen genaamd Sta kwam naar voren, en zie, zij was als een python, maar zij had armen en benen. En zij nam de gevleugelde zon in haar armen, en zij begon te stralen. En zij begon de discipelen uit te leggen over de principes van behoudenis, en de discipelen raakten verschrikt, en vroegen : Maar wie zal dan nog behouden worden ? En Sta legde uit over de vele eeuwigheden, met allemaal hun eigen voorwaardes. En zie, deze waren als de lusten des Heeren en als zijn wapenen. En Sta sprak over het grote Toronto als de hoer die aan vele tafelen zit, en zij sprak over die lusten als over de lusten der farizeeers en de lusten der wereld. En Sta sprak over de oordelen die de Heere zou uitwerpen over de pinkstergemeente. En zij sprak over de pinkstergemeente als een bron waaruit reizigers konden drinken, maar als ze te lang bij die bron zouden blijven, dan zouden vreemde wezens opkomen om hen te grijpen en hen die bron te doen laten verdrinken. En Sta gaf de discipelen rode gescheurde klederen die zij konden dragen, en zij leidde hen door een paarlen poort. Vanuit hier konden ze de geschiedenissen zien, maar de geschiedenissen begonnen voor hun hoofden te draaien en te veranderen. En Sta nam een zwaard en wierp het in de bron der geschiedenis, en zie, het werd als een bron van bloed. Ook de rivieren van het paradijs veranderden langzaam in bloed. Aldus was het bloed van Jezus Christus, de gekruisigde.
6. En in het paradijs kwamen de discipelen tot verborgen kruizen, en er waren verborgen bronnen van bloed. En Sta sprak met hen over de geheimenissen van de doornenkroon. En de doornenkroon was als een brandend wiel in de hemelen boven het paradijs, als een klok, en er woonden vrouwen in die zongen als vogels. En zij brachten vele wonden aan, en openden vele bloedbronnen, maar ook hadden zij de macht de bloedbronnen te verzegelen. Toen sprak Sta met de discipelen over de lusten der armoe, en de lusten van de haat des Heeren. En Sta sprak : Er is alleen overwinning door het kruis des Heeren en Zijn ijs, want hierdoor worden Zijn lusten voortgebracht en Zijn wapenen. Weest daarom soldaten des kruizes en strijdt tegen de geesten die door de doornenkroon u aanvallen om Zijnentwille, want de doornenkroon is de enige die visioenen schenkt. En zij sprak over een diep geheimenis des Heeren. En ziet, vogels die op de doornenkroon zaten begonnen hen te bespotten om hun rode gescheurde klederen, en wonden begonnen op hun huid te verschijnen. En Sta sprak : Ziet, gij dan draagt de wonden des Heeren, en de lusten van Zijn spotkleed. Weest als soldaten van het kruis, geeft uw leven voor elkaar, opdat gij diepe genezing vinde.
7. En Sta zei dat hoewel ze nu in de hemel en het eeuwig leven, de reis door de dood en door de hel, als het zuiverende vuur des geestes nog niet voorbij was. En Sta liet een sieraad zien van de dood van Christus, genaamd de grote Krurg. En zie het was als de harem van de doornenkroon, en hun namen waren : Spimas, Spassam, Spussum, Spolam, Spolus, Spulus, Spulum, Spukkus, Flijm, Flaim, Fluis, Fluim, Spijm, Spuim, Schuim, Korres, Zettus-B, Kahel, Korg, Korgel, Kaslam, Kwadret, Kabuls, Kabulsch, Horrijn, Jakis, Zette, Maaslim, Tas-Lamen, Nikneit, Narit, Tzartvongen, Tzartvingen, Vesnit, Vakin, Rakin. En toen liet Sta een sieraad zien van de hellevaart van Christus, genaamd de Prosmon. En het sieraad was zeer krachtig, en was de tweede harem van de doornenkroon. En hun namen waren : Didomet, Kurgras, Kurgbosse, Kurgtom, Smalnes, Kurgdomet, Spaakdom, Domekals, Kalshut, Kamel, Tonije, Ergturg, Turgdom, Turgfisse, Fissekodom, Heidom, Heidem, Hergsiti, Hergheidom, Keidonne, Keidos, Keislert.
8. En de derde harem van de doornenkroon was genaamd de Grote Jaganta, en zij was het sieraad dat de ogen kon openen en visioenen en dromen kon geven. En hun namen waren : Fanir, Fassa, Fessa, Fissa, Jiskas, Jiskitte, Jiskidde, Jiskide, Julof, Kaker, Kamit, Kande, Kandij, Kandije, IJe, Jamba, Jasbo, Dekhelt, Daslo, Buslos, Boslus, Baake, Spoeme, Propoppe, Pidis, Pide, Kirch, Paake, Botte, Berhim, Parhas, Poos, Polk, Plaak, Poermoes, Proxmi, Pirtis, Pirklille, Hochshelt, Pookhelt, Pamix, Pirkmin, Pirkminne, Porklos, Porklosse, Padissa, Padamin, Podosluul, Kurtlit, Kerlenke, Kershwinne, Kamin, Kaminne, Kierklin, Kiswin, Kurlenze, Koslau, Kanik, Kerlentes, Kokwonen, Kokwau, Kokesses, Irksdwakei, Dirfwinne, Dirfwrum, Dirfwinnesse, Dirfwenkes, Dirfwentes, Daakschwin, Daakschwinne, Kirkmin, Kontau, Korkwanne, Korkwanin, Koflo, Kotlo, Korschwon, Korschlondo, Kortenu, Kortedane, Kortedame, Mirkwin, Deklos, Karhut, Karhutdaanschwimme, Miktes, Mikteschwinne, Korschkanau, Kwanut, Borschlon, Borschlonne, Buchtes, Buchtinne, Birisch, Bizanto, Birschwin, Bochteld, Baschwesse. En zij hadden grote macht, ook tot het sluiten van ogen en het wegnemen der gaven van visioenen, dromen en andere profetische gaven van het oog.